DODECAEDER V

110 - "schouwen" - Collage - A4





V


Armoede lief, die armoe had die niet dan dat
bezat, de stoel, de zate niet waarop zij zat -
tenzij verstand, de frons van brauw, de wil, de blik.
Een man gehad, een zoon met vrouw (te zwart, te snel).
O nooit wordt woord gesproken, nooit verwoordt de ik,
o zo vermoord dat woord, tenzij een snauw, bevel.
Kwam troost, een Ster van zij, de oneigen kamer in.
Zij breide ster op ster, die blonk voor donkerend oog.
O schoonheid voor het schouwen, ongeacht gewin,
De lucht was blauw, het gras was groen, de zee bewoog.
De steen des aanstoots, schande, zat. Zij zat en bad,
indachtig wat ontbrak, wat schortte, 's armen schat.



Pyke Koch
De grote contorsioniste
Amsterdam





Christine D' Haen, Miroirs. Gedichten vanaf 1946, ISBN 90-214-6700-3, p.245
Een reactie posten

Populaire posts