[zonder titel]

Plotseling draai ik mij om.
Het verbergt zich niet langer,

heeft zich in mij blootgewoeld.

Terwijl ik nader word ik

doorzien. Het is een bloem
die ik niet ken, die mij
heeft herkend, mij aan land brengt,
mij geleidelijk neerlegt zoals
de zee soms doet met iemand
die moet zijn verdronken.



Hans Faverey, uit 'Doorboord', Verzamelde Gedichten 1993, p.533

OOGST

Dat nimmermeer de dag ontvonke:
de nacht hangt vol met trossen donker,
O blauwe druiven van de dood,
tot in mijn handen neergezonken.


Gerrit Achterberg
, Verzamelde Gedichten, ISBN 90 214 50445, p. 565

[zonder titel]

De rijke dame wuift met haar hand
en zie alle bladeren vallen af
Heel mooi

Een andere dame ontsteekt haar neus
en rode sneeuw daalt zachtjes
verstikkend op bewegingen en geluiden

De laatste dame wijst met puntige vleugel
maar het licht verzet
ontspringt zigzaggend als een hass
in duizend vormen van ontsnapping

Toch zal het vriezen als ze wil
De steen moet vallen

D. Hillenius. Een klein apparaat tegen rechtlijnigheid, ISBN 90 295 1978 9, p.36

DE DAGERAAD

De misten liggen op het land, het licht
met schuchtre drift welt op,
weerspiegeld door het nevelmeer
verglinstering van sfeer in sfeer;
het zijpelt prikkelend tot
de mist staat opgericht

en steigert, wijl uit grond en stoom
de watergeest opklimt,
het tergend zonvuur tegenrookt,
ontbrand en oostwaarts aangestookt
waar 't immer feller glimt
tot heel de diepte doomt.

Dan groeit de rook en wijkt het rood
of fonkelt bruisend goud,
en tuimelt ruggelings weerom
en borrelt uit dezelfde bron
verwisselend duizendvoud
verrijzenis en dood.



Christine D'Haen, Miroir. Gedichten vanaf 1946, ISBN 90 214 6700 3, p.32

ZON

Evenwijdig aan grashalmboog spant zich
een waslijn van opgang naar verschiet,
neiging ter kimme. Geteld alle schreden
van de koorddans onder de immense tenten,
opzien barend en met bijval van zangers.
's Nachts hangt het bleke vangzeil hoog-
nederig te drogen: een hemelwaartse val
verenigt elke omloop met de as van al.





Anneke Brassinga. Zeemeeuw in boomvork, 1994, ISBN 90234 4721 2, p.26

IN DUIN

De zilvren wolken zijn als cherubijnen,
Die spelemeien in de blauwe lucht.
In teeder amethyst van mistgordijnen,
Wijkt ver in zee de laatste meeuwenvlucht.

Ik lig in duin en zie de zon verdwijnen
En luister naar het ruischen van den zucht
Der blanke zee, waar paereltinten kwijnen,
Die nooit kan slapen en die eeuwig ducht.

En 'k voel de loomheid van mijn leden zinken,
In 't weeke zand, waar 'k ze achteloos nederlei,
En stijgen hoog en licht en schoonheid drinken,
Bevrijd van de aard door englen-medelij,
Mijn blijde ziel, waar liederen in klinken,
Zooals geen tong met woorden wederzei.




HÉLÈNE LAPIDOTH-SWARTH, Gedichten. Blanke duiven - Diepe wateren - Schaduw-tuinen (Nieuwe gedichten). Amsterdam: Van Kampen, z.j., p.10

KRINGLOOP

Lichtfonkelend in de archipel
het schelpeneiland, waar geen voet
het vastgevoegde strand betreedt.
De kleuren spelen met het licht.

De golven kantelen om en om
de welving en de karteling,
totdat bij ribbelige eb
zich hecht de horen en de harp.

Maar later, als de maan opgaat,
worden zij zwevend opgelicht
in randen kantelende naar
de lichtdoorglansde archipel.




Ida Gerhard, Verzamelde Gedichten,ISBN 90 253 1742 1, p. 287

FILM

Film over het graf.
Gij tekent er op af
met de verlatenissen,
die lichaam moeten missen.
Gij komt uzelf te kort.
Dit is het negatief,
waarop gij zichtbaar wordt:
een levend oppervlak,
waarin gij positief
ontbreekt, een helle vlek,
die door het donker trekt.



Gerrit Achterberg, Verzamelde Gedichten, ISBN 90 214 50445, p. 528

[zonder titel]

Dat je nooit hebt bestaan.

Opeens liet ik mij vallen;
en ik verberg mijn gezicht.

De winter is al lang dood.

De gierzwaluwen zijn terug.

Heb ik altijd van je gehouden;
of heeft zij nooit bestaan.
Herinneringen
zijn geen herinneringen.

Herinneringen is perceptie.



Hans Faverey, Verzamelde gedichten (1993), ISBN 9023446968, p. 353

blauw

kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.

Anneke Brassinga, Aurora, ISBN 90 234 4650 x, p.17

de poorten

langs alle poorten dansen de droevige bladeren
vreugde is om vuren in de verte maar oude
handen bewegen in de monden de harten en de dansen
donker verdringen het licht met het lichaam
daarom oh grote gebaren daarom
ga naar de grotten daar zwijgen en de
verlamde lippen met grotere wonden warmen

en soms opzien de gespierde zon
zien stijgen en juichen of de ranke
maan naar de ruisende twijgen duiken
dan denken daar samen gaan
van de wil en de wanhoop de grote gedachten

maar steeds eenzaam de geopende is
open voor zijn doden open voor zijn dood
en de dingen die hij dicht: de boom het brood
de eenvoudige bruggen en wolken sluiten
hem buiten met hun weerloos licht

zij zijn innig verbonden en in evenwicht

Lucebert, Verzamelde Gedichten, ISBN 90 234 0260 x, p.196

Zeewaarts gezegd

De zee is trots op haar duinen.
Brekensgereed houdt zij de dijken bestendig.
Zij heeft haar kusten lief en kust ze.

De zee plant zich voort in het water.
De zee is voedzaam als een rijpe boomgaard.
Zij is de moeder van de grootse sterren.

De zee is een regen van goedheid,
beken het maar, zij is onmisbaar.
De zee blijft zoals altijd altoos vrede,
want in zee werd nog niemand mishandeld.


Paul Snoek, Gedichten 1954-1968, GMP 51, Manteau 1969, p.96

ONTSTENTENIS

Ik was overstelpt met etgroen van mijn najeugd

Ik was de excentriciteit van de wederkerige gemeenschap
en de uitzondering op de regel van de reciprociteit
de uitvlucht van beslotenis en
het beroep op de maat der dingen

Ik reinigde mijn blik van te zien, ontsmette mijn oor van
te horen, kookte mijn tastzin uit, en delgde mijn
bewustzijn, tot thuiskomst koos ik mij ontstentenis
tot toekomst te zijn vergeten, tot herkomst uitwissing want

U, die Ik

is, die zich gevormd neerlaat in de dalende
zon van mijn jeugd, die het apostolaat van
mijn lichaam onthaalt als voleindigd
en die de missie van mijn vonk herroept
tot in de bazuin van mijn eenzang

was de novice van mijn lichaam



Kees Ouwens, Alle gedichten tot dusver, Meulenhoff 2003, ISBN 90 290 7090 0, p. 180

Beschreven was wat werd herhaald

Beschreven was wat werd herhaald
En dit is, levend in dit leven
Mijn twijfel en mijn hoop, het afscheid
Der geliefden, enig en eenmaal.



Wazig, na een tedere afwezigheid
Voel ik die naakt ben, ik die dien
Amper, als enige die achterbleef
Het duren der schennende dagen alleen.



Misschien zoals ik spreek, onduidelijk
Voel ik de indeling van angst en tijd,
En zo sterft de vogel, zo groeit het blad
Een lichaam raakt een lichaam
Onsterfelijk en dan dood.



Hugues C. Pernath, Mijn gegeven woord (De Vries - Brouwers 1986) ISBN 90 6174308 7, p 41

Door de dorpen

De auto drijft de natte weiden binnen.
De mannen langs de weg blijven in het koplicht staren,
Ook als wij al lang voorbij hen zijn.

100 meter verder staan hun vele kermislieven
Te vroeg te vroeg in de avond te wachten.

De paarden dicht bij de palen en de ijzerdraad vrijen,
Dit is: zij wrijven hun nachtelijke manen en oren en lippen
Tegen elkaar.

De vierhoeken der huizen
Breken aan scherven in je zoekende ogen.
Zoals alle beelden breken.


Hugo Claus, Gedichten 1948-1993, 1994, ISBN 90 234 4719 0, p. 106

Ter Loome Zee Met Slappe Zeilen

Ter loome zee met slappe zeilen
onder eenzelfde lamme zon,
en steeds het onveranderd-ijle
aan elken nieuwen horizon;

aldóor de dagen áldoor varen
een onverschill'gen avond toe,
en eindeloos het loom verzwaren
der lamme leden, hooploos moe;

en nimmer, nimmer slapen mogen,
maar steeds naar horizonnen spiên
met starre en pijnlijk-sperrende oogen
die zelfs den zwarten nacht niet zien...


1912

Karel van de Woestijne, Verzamelde gedichten,Tweede druk 1978, ISBN 90 223 0659 3, p.687

Jong landschap

Zo staan beiden bijna roerloos in de weide
het meisje dat loodrecht aan een touw des hemels hangt
legt hare lange hand op de lange rechte lijn der geit
die aan haar dunne poten de aarde averechts draagt
Tegen haar wit en zwart geruite schort

houdt het meisje dat ik Ursula noem
- in't spelevaren met mijn eenzaamheid -
een klaproos hoog

Er zijn geen woorden die zo sierlik zijn
als ringen in zeboehorens
en tijdgetaand zoals een zeboehuid -
hun waarde bloot naar binnen schokken
Zulke woorden las ik gaarne tot een garve
voor het meisje met de geit

Over de randen van mijn handen
tasten mijn handen
naar mijn andere handen
onophoudelik

Paul van Ostaijen, in 'Spiegel van de surrealistische poëzie in het Nederlands' samengesteld door Laurens Vancrevel, A'dam 1989, ISBN 90 290 3583 8

Twaalf Grafgedichten Voor Kira Van Kasteel - III

De prachtige vrouwen die den herfst versieren
met roestig bruin, fluweelen groen en ros,
den opgebonden donkerblonden tros
der haren en gebaren der feline dieren

roepen u weder op, uw kostbaar vuur
waarbij gij verwen roerde voor de wol,
eerst ruw en dan gewasschen zacht en vol,
gesponnen en geweven uur voor uur.

Glinsterend en mat gelijk een goudfazant
brak in uw diep mortier de regenboog,
scherp overwaakt door uw groot ernstig oog.
Dan werd uw kleederdracht een najaarsland:

gedempt gelijk de kleine jachtpatrijs,
gloeiend gelijk een trotsche verderdos.
Gij werdt getroffen met één schot in't bosch,
somber bedekt met glas en winterijs.


Christine D'Haen , ONYX, ISBN 90253 8119 7, p. 31

Nacht

De zware boomen ruischen in den wind
Dicht bij het huis. Ik denk in koortsig waken
Aan de verloren dromen van het kind
Dat ik geweest ben en dat nooit mocht raken

Aan 't speelgoed dat het mateloos bemind
Heeft en verlangd... O, koelte van het laken,
Waarin nooit iemand rust noch vrede vindt
Als het verlangen 't moede hoofd doet blaken

Van doove drift! Er is geen onderscheid
Tusschen den droom van 't kind en van den man,
Want hart en geest zijn één ellendigheid...

Hoor het geruisch, het zwaar geruisch der boomen!
Dit lied verandert niet: het blijft de wan
Van onzen hartstocht, ons onstuimig droomen.



Jan van Nijlen,
Verzamelde Gedichten 1904-1948, Stols, 's-Gravenhage 1948, p.95

Stilstand

Taal wordt steeds meer
littekens van daden van vroeger
Water draait wenteltrap omlaag
meeslepende gezichten, dode ontmoetingen
lippen spreken nog namen
moeilijk luchtbelletje
Nieuwe flarden verbreken





Dick Hillenius, Uit groeiende onwil om ooit nog ergens in veiligheid aan te komen, Arbeiderspers A'dam 1966, p11

Ervaring in November

Dor gras en geen vorst.
Druk bezige heggespreeuwen, even honkvast
als jij altijd was. Stilstaand weer,
maar goed om aardappelloof te verbranden. Aan één stuk
steekt de spa in de moestuin wurmen doormidden.
Alles rekt, verdubbelt, vermenigvuldigt
zich nog; mierzwart onder klompen
klopt en krioelt de grond, vet als erfzonde
die kost wat kost op eeuwig leven uitlipe en nu
jij bent zo dood als een pier.




Jacques Hamelink, Herinneringen aan het verdwenen licht, De Bezige Bij, Amsterdam 1986, p17